Jean-Jacques,

voorzitter Raad van Bestuur - Professor emeritus in de menselijke genetica

‘De combinatie van wetenschap en maatschappelijke relevantie: dat is de reden waarom ik de geneeskunde ben ingegaan. Een idee dat ik thuis al had opgepikt, mijn vader was ook arts. Uiteindelijk ben ik in de genetica beland, een toen nog jong domein. Achteraf gezien kon ik daar alleen maar van dromen. Heel mijn carrière heb ik onderzoek gedaan op erfelijke ziekten, op bepaalde kankers ook. Als ik nu terugblik, kan ik zeggen: het is onvoorstelbaar hoe ver we vandaag staan.

Dezelfde combinatie van wetenschap en relevantie vind ik terug bij Kom op tegen Kanker. Daarom antwoordde ik zes jaar geleden positief op de vraag  om voorzitter te worden. Omdat Kom op tegen Kanker niet alleen geld ophaalt voor onderzoek, maar ook aandacht vestigt op de psychosociale kant. Als geneticus heb ik geleerd: het is ontzettend belangrijk om naar patiënten te luisteren. Patiënten moeten tegen hun dokter kunnen zeggen wat ze zélf van belang vinden. Er is voor die mensen een medische nood om van die kanker af te geraken, maar er spelen ook nog vele andere noden. Die zijn even belangrijk.

Mijn drijfveer is heel mijn carrière dezelfde geweest: de problemen van patiënten oplossen. Ik heb nooit de ambitie gehad om de grootste te zijn. De dag dat het niet langer om de ander maar om mij draait… Gooi me buiten, alstublieft! Als voorzitter wil ik dus geenszins de pluimen van de organisatie en de vrijwilligers op m’n eigen hoed steken. Maar dat staat de nodige fierheid uiteraard niet in de weg.

Zo’n aankomst van de 1000km voor Kom op tegen Kanker is het meest indrukwekkende dat ik heb meegemaakt. Mensen van mijn leeftijd die beginnen te huilen als ze bij de finish hun familie zien… Dan word je klein, dan weet je dat het belangrijk is. Dezelfde gevoelens ervaar ik tijdens een Plantjesweekend. Of wanneer ik honderden vrijwilligers, door ons opgeleid, naar de ziekenhuizen zie trekken. Het is fantastisch dat ik voorzitter mag zijn van een organisatie die zo dichtbij de mensen staat.’